U bent hier

De milieu-indicatoren in MMG

Om te zorgen voor conformiteit met de bestaande Europese initiatieven op het gebied van de milieubeoordeling van gebouwen en bouwproducten, heeft de MMG-methode rekening gehouden met de recente Europese normen die werden voorgesteld door het CEN TC 350 en met de aanbevelingen van het Europese onderzoeksinstituut "Institute for Environment and Sustainability” (JRC) op het gebied van milieu-indicatoren en impactmethodes.

Uit een enquête is echter gebleken dat de Europese milieu-indicatoren (CEN) alleen te beperkt waren. Er werden aanvullende milieu-indicatoren gekozen om alle Belgische beleidsthema’s te dekken en om een zo volledig mogelijk inzicht te krijgen in de milieu-impact van gebouwelementen.  Over de toegevoegde milieu-indicatoren werd een afzonderlijk rapport opgesteld, met als titel "CEN+ indicatoren". 

In de MMG-bepalingsmethode zijn de tewee ondersraande milieu-indicatoren opgenomen: 

I.   De CEN indicatoren:

  • Klimaatverandering 

    Beoordeling van de uitstoot van gassen die bijdragen tot het broeikaseffect. Het broeikaseffect leidt tot veranderingen van het klimaat van de Aarde, en met name tot een verhoging van de gemiddelde temperatuur.

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • koolstofdioxide (CO2)
    • methaan (CH4)
    • chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's)
    • stikstofmonoxide (N2O)
  • Aantasting van de stratosferische ozonlaag 

    Beoordeling van de luchtuitstoot van de substanties die kunnen reageren met de ozonmolecules in de stratosfeer. De ozonmolecules, die de ozonlaag vormen, filteren de ultraviolette straling (UV-B) die gevaarlijk is voor de mens en kankerverwekkend kan zijn.

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's, HCFK's)
    • bestanddelen die met de stratosferische ozon kunnen reageren.
  • Verzuring van land en waterbronnen 

    Beoordeling van de luchtuitstoot van substanties die zich tot zuren kunnen omvormen (bv. zwavelzuur, salpeterzuur), die worden weggespoeld door neerslag (zure regen) en terechtkomen in het afvloeiings-, oppervlakte- en grondwater. Deze verzuring leidt tot een aantasting van het milieu en heeft een invloed op de fauna (dode vissen, ...) en de flora (afsterven van de vegetatie).

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • zwaveldioxide (SO2)
    • stikstofoxiden (NOx)
    • ammoniak (NH3)
    • chloorzuur (HCl) en andere stoffen die zich kunnen omzetten tot zuren (zwavelzuur, salpeterzuur)
  • Eutrofiëring 

    Beoordeling van de stoffen (met name fosfaten en nitraten) die bijdragen tot de verspreiding van algen en aquatische soorten in het water. De ademhaling en vervolgens de ontbinding van die organismen veroorzaken een daling van het gehalte aan opgelost zuurstof in het aquatisch milieu, wat het evenwicht van het ecosysteem verstoort en de dierlijke en plantendiversiteit vermindert, of zelfs doet verdwijnen. 

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • fosfor (in fosfaten, POx)
    • stikstof (in ammonium NH4+, nitraten en nitrieten, NOx)
    • koolstof (in organisch materiaal)
  • Fotochemische oxidantvorming (lage ozon, zomersmog) 

    Beoordeling van de luchtuitstoot van substanties die kunnen bijdragen tot de vorming van troposferisch ozon (de troposfeer is een lage laag van de atmosfeer waarin we leven en ademen). Dit proces is het resultaat van de chemische omzetting van zuurstof in contact met stikstofoxide en koolwaterstoffen (fenomeen van fotochemische smog of 'ozonpieken').  Hoewel ozon een beschermende rol speelt in de hoge lagen van de atmosfeer, is het een gevaarlijk gas dat de luchtwegen irriteert.

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • vluchtige organische stoffen (VOS)
    • substanties die kunnen bijdragen tot de vorming van troposferisch ozon. 
  • Uitputting van abiotische (fossiele en niet-fossiele) grondstoffen 

    Beoordeling van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen (onderscheiden in twee indicatoren naargelang het om fossiele of niet-fossiele hulpbronnen gaat) met een weging van die hulpbronnen naargelang hun zeldzaamheid en de snelheid waarmee ze worden ontgonnen. Hoe meer een hulpbron als zeldzaam en ontgonnen wordt beschouwd, hoe hoger de waarde van de indicator en hoe meer het product bijdraagt tot de uitputting van de hulpbronnen (met uitzondering van de hulpbron water die via een specifieke indicator wordt beschouwd).

    De belangrijkste stoffen die hiertoe bijdragen zijn:

    • fossiele natuurlijke hulpbronnen: gas, bruinkool, aardolie, steenkool, …
    • niet-fossiele natuurlijke hulpbronnen, bijvoorbeeld: metalen die in de bouwsector worden gebruikt (koper, zink, aluminium, ...).

II.   De CEN+ indicatoren:

  • Menselijke toxiciteit (kanker- en niet kankereffecten)
  • Fijnstofvorming
  • Ioniserende stralingseffecten op de mens
  • Ecotoxiciteit (land, zoetwater en marien)
  • Landgebruik: bezetting van land
  • Landgebruik: omvorming van land
  • Waterschaarste 

 

Overzicht van de milieu-impactindicatoren uit de MMG-methodiek

Datum van de update: 23/05/2017